Volvo Cars zet zich in voor de toekomst van zijn fabriek in Gent, zo maakte het hoofdkantoor van de Zweedse autofabrikant woensdag bekend. Het bedrijf heeft met de Belgische federale en Vlaamse overheid een akkoord bereikt over steun- en financieringsmaatregelen voor een totaalbedrag van maximaal 119 miljoen euro. De afspraken zijn vastgelegd in een memorandum van overeenstemming (MoU).
Het pakket is bedoeld om industriële, innovatieve en ecologische investeringen bij Volvo Car Gent te ondersteunen. Naast efficiëntiemaatregelen wil Volvo het concurrentievermogen van de fabriek versterken en de productie in Gent op lange termijn veiligstellen. Sommige analisten zijn wat terughoudender: halen we hier niet een Chinees Trojaans paard binnen?
Contractproductie mogelijk
Opvallend is dat Volvo expliciet de deur openzet voor de assemblage van auto’s van andere merken. Door contractproductie zou de capaciteit van de fabriek in Gent beter benut kunnen worden en zou dit extra industriële activiteit naar de regio kunnen brengen.
“Naast de voortzetting van de productie van Volvo-auto’s zou dit ook mogelijkheden kunnen bieden om Volvo Car Gent in te zetten voor de assemblage in loon van auto’s van andere merken. Dit zou de bezettingsgraad van de fabriek verhogen en bijdragen aan de industriële activiteit in de regio,” aldus het persbericht van Volvo.
“We waarderen de betrokkenheid en steun van de Belgische federale regering en de Vlaamse regering,” aldus Håkan Samuelsson, president en CEO van Volvo Cars. “Volvo Car Gent is een uiterst capabele fabriek met een ervaren team. Met deze noodzakelijke verbeteringen op het gebied van concurrentievermogen versterken we de toekomst van de fabriek als autofabriek in België.”
“Volvo Cars maakt al decennia lang deel uit van het industriële weefsel van Vlaanderen’, zegt de Vlaamse minister-president Matthias Diependaele. ”Vandaag schrijven we het volgende hoofdstuk van dat langdurige partnerschap. Door de voorwaarden te scheppen voor nieuwe investeringen, verzekeren we een sterke industriële toekomst voor de vestiging in Gent en het bredere auto-ecosysteem eromheen. Zo waarborgen we welvaart op lange termijn in Vlaanderen.“
“Door de juiste randvoorwaarden te scheppen, waaronder het bevorderen van een concurrerend investeringsklimaat, versterken we de positie van ons land als aantrekkelijke vestigingsplaats voor hoogwaardige industriële werkgelegenheid in Europa,” voegt de Belgische premier Bart De Wever toe. “Dit memorandum van overeenstemming draagt bij aan het veiligstellen van de toekomst van de fabriek in Gent en zorgt ervoor dat de geavanceerde voertuigproductie op lange termijn in België verankerd blijft.”
Welke toekomst?
Blijkbaar heeft het memorandum van overeenstemming de toekomst van de fabriek in Gent voor de nabije toekomst veiliggesteld. Hoewel er in het memorandum sprake is van de komende tien jaar, hebben eerdere ervaringen in België een spoor van twijfel en wantrouwen achtergelaten.
Toen in 1997 de Renault-fabriek in Vilvoorde (ten noordoosten van Brussel) werd gesloten, stond deze bekend als de beste fabriek van de Franse fabrikant, met name vanwege de kwaliteit van de daar geassembleerde producten. Toch waren de Fransen niet bereid om een fabriek van mindere kwaliteit in hun eigen land te sluiten om Vilvoorde te redden. Zaak gesloten.
Hetzelfde verhaal in Antwerpen. Aan het einde van het eerste decennium van deze eeuw gold de Opel-fabriek in Antwerpen als de best georganiseerde ter wereld, en managers van GM kwamen van over de hele wereld om er een bezoek te brengen en ervan te leren. Maar hetzelfde gebeurde opnieuw: in 2010 gaf Opel er de voorkeur aan om zijn parel in Antwerpen te sluiten in plaats van een fabriek in zijn thuisland, Duitsland. Later zou ook Bochum, Duitsland, zijn deuren sluiten, maar tegen die tijd was GM al van plan om zijn volledige Europese productie-infrastructuur en de bijbehorende merken te verkopen.
Hetzelfde verhaal, iets later (2014), in het oosten van Vlaanderen, waar Ford zijn fabriek in Genk had. De assemblage van de Transit-bestelwagen was al naar Turkije verplaatst, en de productie van de Mondeo en andere grotere (MPV) Ford-modellen was overgebracht naar Spanje en zou vrij snel ten onder gaan.
De laatste in de rij was Audi Brussels in 2025. De fabriek in de Brusselse gemeente Vorst werd aan het einde van het eerste decennium overgedragen van Volkswagen aan Audi en werd in 2018 klaargemaakt voor de productie van de eerste elektrische Audi, de e-tron (later Q8 e-tron). De toekomst zag er rooskleurig uit; subsidies van de Belgische overheid werden op prijs gesteld. Toen de verkoop van elektrische auto’s echter niet groeide zoals verwacht, was het opnieuw een ‘buitenlandse’ fabriek die moest sluiten. De situatie bij Volkswagen is sindsdien verslechterd, en nu Vier fabrieken in Duitsland lopen gevaar.
Je kunt je dus wel voorstellen dat Belgische autowerknemers nogal sceptisch zijn wanneer een overeenkomst zoals het memorandum van overeenstemming tussen de Belgische autoriteiten en Volvo wordt aangekondigd. Is het niet Volvo dat een volstrekt overbodige fabriek in Slowakije heeft gebouwd omdat het bedrijf een paar jaar geleden dacht 800.000 Volvo’s in Europa en meer dan 1,2 miljoen wereldwijd te kunnen verkopen? Op dit moment verkoopt Volvo zo’n 400.000 auto’s in Europa en meer dan 700.000 wereldwijd, maar het bedrijf heeft een totale productiecapaciteit van 1,45 miljoen auto’s.
Het (Chinese) Trojaanse paard
Als Volvo dus iets aan deze overcapaciteit wil doen, moet het zijn afzet verdubbelen – wat in de huidige situatie hoogst onwaarschijnlijk is – of andere merken toestaan hun modellen in de Volvo-fabrieken te assembleren. Gelukkig maakt Volvo deel uit van een van de grootste Chinese automobielholdings, Geely.
De voormalige Zweedse fabrikant deelt veel technologie (en elektrische platforms) met zijn zustermerken onder de paraplu van Geely, van Polestar en Lynk&Co tot Smart en Zeekr. De toekomst van de Volvo-fabriek in Gent ligt ongetwijfeld ook in de mogelijkheid om andere (puur Chinese) merken in Gent te assembleren, waarbij de elektrische Volvo EX30 de stralende ster is, die een platform en andere onderdelen deelt met modellen van Smart, Zeekr en andere Geely-merken.
Het probleem met dit nieuwe beleid is natuurlijk de vraag of Volvo hiermee een Chinees Trojaans paard binnenhaalt. Dit is geen nieuw probleem. Echte Belgische auto’s waren tussen de twee wereldoorlogen al verdwenen, en dit kleine maar centraal gelegen land in Europa wilde na de Tweede Wereldoorlog graag automerken uit heel Europa aantrekken om hier auto’s te assembleren. In een bepaalde periode in de jaren negentig was België het grootste autoproducerende land (per hoofd van de bevolking) ter wereld.
Nu is alleen Volvo in Gent nog over, en hoewel veel mensen het recente memorandum van overeenstemming met opluchting en vreugde hebben begroet omdat er in het land auto’s blijven worden geassembleerd, vragen anderen zich af of dit nog wel de juiste weg is. Aangezien de besluitvorming altijd in het buitenland plaatsvindt, zal de Belgische auto-industrie altijd overgeleverd blijven aan buitenlandse bedrijven en investeerders.
Het nieuwe feit is dat ze nu Chinees zullen zijn, en dat de Europese Commissie en andere EU-instanties in feite koortsachtig proberen de afhankelijkheid van de Chinese industrie te verminderen, wat zeker niet zo voor de hand ligt als we het over elektrische auto’s hebben.
Natuurlijk is de technologie van Volvo voorlopig nog steeds erg Europees – ze wordt voornamelijk in Göteborg ontwikkeld – maar ook hier neemt de Chinese invloed snel toe. Het zal bijna onvermijdelijk worden dat Chinese modellen in Gent worden geassembleerd. België is al tientallen jaren succesvol met dit beleid om buitenlandse autofabrikanten aan te trekken, maar het blijft kwetsbaar.
Dat zal zeker niet veranderen. De vraag is of we deze afhankelijkheid nog verder moeten aanwakkeren. In Gent zeggen de ongeveer 6.500 (directe) werknemers natuurlijk ja, net als de autoriteiten die deze banen willen behouden.
Steeds meer strategische planners en analisten zijn van mening dat de assemblage van auto’s voor dit kleine land uiteindelijk een verloren strijd is en dat België zich moet richten op andere, nieuwere technologieën waarin het als innovator kan uitblinken. De toekomst zal het uitwijzen.


