Het Belgische plan om de federale mobiliteitsbijdrage verplicht te stellen voor werkgevers die bedrijfswagens aanbieden, zou volgens … een gat van wel 1 miljard euro per jaar in de federale inkomsten kunnen slaan. berekeningen van adviesbureau EY, ingezien door De Tijd.
Het cijfer is opvallend, maar het is geen prognose: het geeft een scenario weer waarin één op de vijf gebruikers van een bedrijfswagen de auto helemaal opgeeft. EY staat voor Ernst & Young, een van de wereldwijde “Big Four”-accountants- en advieskantoren, naast Deloitte, PwC en KPMG.
EY schat dat bij het huidige deelnamepercentage van ongeveer 4% – waarbij werknemers hun bedrijfswagen inruilen voor een mobiliteitsbudget zonder auto – de federale overheid nu al jaarlijks ongeveer 200 miljoen euro aan autobelastingen misloopt.
Als dat aandeel zou stijgen tot 20% – het niveau waarop beleidsmakers ooit hoopten dat het mobiliteitsbudget zou uitkomen – zou het verlies kunnen oplopen tot 1 miljard euro.
In de berekening zijn de gederfde accijnzen op brandstof en de btw, de door werkgevers betaalde CO₂-solidariteitsbijdrage en de inkomstenbelasting over het voordeel in natura van de bedrijfsauto meegenomen.
Daarbij wordt ook aangenomen dat werknemers die hun bedrijfswagen inleveren, daarna geen eigen auto aanschaffen. Daardoor is het bedrag van een miljard euro eerder een scenario dan een netto begrotingsraming.
Verplicht, maar nog geen wet
De paradox is dat de regering zelf juist wil dat deze regeling op veel grotere schaal wordt toegepast. Een wetsontwerp dat in januari door het federale kabinet is goedgekeurd, zou werkgevers die al langer dan 36 maanden bedrijfswagens ter beschikking stellen, verplichten een mobiliteitsbudget aan te bieden.
Bedrijven met ten minste 50 werknemers moeten vanaf 1 januari 2027 aan het systeem deelnemen, gevolgd door werkgevers met 15 tot 49 werknemers in 2028. Kleinere bedrijven blijven hiervan vrijgesteld.
De hervorming is echter nog geen definitieve wet. De tekst van januari is nog steeds een ontwerp en is ter advies voorgelegd aan de Raad van State en de sociale partners.
KPMG benadrukt eveneens dat het verplichte stelsel nog steeds onderworpen is aan het wetgevingsproces. Het jaar 2027 is dus de door de regering beoogde startdatum, maar nog geen onvoorwaardelijke rechtszekerheid.
De woningmarkt speelt de hoofdrol
Een ander punt is dat dit de oorspronkelijke doelstelling op het gebied van mobiliteit overschaduwt. Het budget kan worden besteed aan een elektrische bedrijfsauto, openbaar vervoer, fietsen en andere duurzame mobiliteitsopties, maar in aanmerking komende werknemers kunnen het ook gebruiken voor huur of hypotheeklasten.
Huisvesting ontpopt zich nu al als een van de meest aantrekkelijke bestedingen van het mobiliteitsbudget. Zoals newmobility.news meldde in augustus, Uit de loongegevens van SD Worx blijkt dat drie op de vier gebruikers van een mobiliteitsbudget ervoor kiezen om hun woonkosten vergoed te krijgen, wat onderstreept hoe sterk de regeling zich ontwikkelt tot buiten de traditionele mobiliteitsuitgaven.
Uit een recent onderzoek van KPMG, gebaseerd op gegevens van 302 werkgevers en 4.389 werknemers, kwam een vergelijkbaar cijfer naar voren: bijna driekwart van de gebruikers in de dataset gebruikte pijler 2 voor woonkosten. Huisvesting was goed voor 86,7% van alle uitgaven binnen die pijler, en ongeveer 45% van de gebruikers besteedde dit bedrag volledig aan huur of hypotheeklasten.
Dat verklaart waarom EY-belastingdeskundige Hendrik Serruys pleit voor waarborgen, zoals het beperken van het aandeel dat aan huisvesting wordt besteed. De sociale partners in België zijn al tot dezelfde conclusie gekomen.
In een unaniem advies van april stelden de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Economische Raad voor om de uitgaven voor huisvesting te beperken tot 50% van het mobiliteitsbudget, waarbij zij waarschuwden dat het systeem anders het risico loopt te verworden tot loonoptimalisatie in plaats van een instrument om het mobiliteitsgedrag te veranderen.
Belastingstelsel gevangen in zijn eigen succes
Het debat legt een lastige tegenstrijdigheid bloot in het Belgische beleid inzake bedrijfswagens. De overheid moedigt werknemers al jaren aan om over te stappen van een auto als looncomponent om files en uitstoot te verminderen, maar die auto’s leveren nog steeds aanzienlijke inkomsten op uit belastingen, sociale zekerheid en brandstof.
Die tegenstrijdigheid is opnieuw politiek explosief geworden. De ‘salariswagens’ kwamen deze week opnieuw ter sprake tijdens de onderhandelingen over de Belgische federale begroting, nadat er voorstellen waren gedaan om de gunstige fiscale behandeling ervan te verminderen of af te schaffen.
Volgens een studie van het Federaal Planbureau zal het huidige systeem tegen 2028 leiden tot een derving van fiscale en parafiscale inkomsten ter waarde van ongeveer 5,2 miljard euro, in vergelijking met een belastingheffing op privégebruik zoals bij een normaal salaris. Dat betekent niet dat die 5,2 miljard euro zomaar van de ene op de andere dag kan worden teruggewonnen.
Uit de nieuwe berekening van EY blijkt de andere kant van dezelfde medaille: als het mobiliteitsbudget erin slaagt grote aantallen werknemers te overtuigen om hun bedrijfsauto op te geven, zou de overheid tot wel 1 miljard euro aan belastingen en heffingen kunnen mislopen die deze auto’s momenteel opleveren.
En als een groot deel van het budget in plaats daarvan wordt besteed aan fiscaal gunstige hypotheek- of huurbetalingen, kunnen de voordelen op het gebied van mobiliteit kleiner uitvallen dan de bedoeling was.
Nu het mobiliteitsbudget voor steeds meer werkgevers verplicht gaat worden, staat België voor een lastige evenwichtsoefening: het hervormen van een autovergoedingsregeling die fiscaal duur is, en tegelijkertijd voorkomen dat er een nieuw inkomstentekort ontstaat wanneer werknemers daadwerkelijk afzien van hun auto.


