De Vlaamse en Waalse regeringen hebben begin deze maand een akkoord bereikt met enkele van de grootste CO2-uitstoters in de Belgische industrie over de afvang, opslag en transport van kooldioxide, ook wel CCUS genoemd.
De overeenkomst werd gisteren ondertekend bij bouwmaterialenfabrikant Holcim in Obourg, nabij Bergen, door Vlaams minister-president Matthias Diependaele (N-VA), Waals minister-president Adrien Dolimont (MR), 17 industriële bedrijven, waaronder BASF, Ineos, ArcelorMittal en TotalEnergies Refinery, en de gedelegeerd bestuurders van de bedrijfsorganisaties Voka en AKT voor Wallonië.
“Als deze bedrijven hun CCS-plannen in Vlaanderen en Wallonië voortzetten, zal er jaarlijks minstens 7,5 miljoen ton CO2 minder in de atmosfeer terechtkomen, ofwel een kwart van de huidige industriële uitstoot”, aldus Voka.
Focus op CCUS
De 17 bedrijven die de overeenkomst hebben ondertekend en die samen verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van alle industriële CO2-uitstoot in België, zijn AGC, Air Liquide, ArcelorMittal Belgium, BASF, Borealis, Carmeuse, CCB Cementir, Engie, Equinor, Fluxys C-grid, Heidelberg Materials Benelux, Holcim, INEOS, Lhoist, North Sea Port, Haven van Antwerpen-Brugge en TotalEnergies Raffinaderij Antwerpen.
De gezamenlijke verklaring bevat weinig concrete voorstellen of maatregelen. Toch houdt de overeenkomst in wezen in dat alle partijen alles in het werk zullen stellen om ervoor te zorgen dat in België de nodige investeringen worden gedaan om de economie koolstofarm te maken, met de nadruk op technologieën zoals CCUS.
Noodzakelijke overgangstechnologie
CCUS, door de Europese Commissie en het IPCC (het klimaatpanel van de VN) erkend als een noodzakelijke overgangstechnologie om in 2050 klimaatneutraal te zijn, is een verzamelnaam voor technologieën die zijn ontworpen om de uitstoot van broeikasgassen zoals kooldioxide (CO2) aanzienlijk te verminderen, met name in de industrie.
Dit betreft voornamelijk emissies die moeilijk te verminderen zijn en waarvoor koolstofafvang de meest logische aanpak is.
Sommige sectoren, zoals staal (ArcelorMittal) en cement (Holcim)), moeite hebben om de CO2-uitstoot te verminderen, zelfs met hernieuwbare energie. In dat geval kan een technologie zoals CCUS CO2 afvangen in plaats van het te laten ontsnappen.
Door die CO2 bijvoorbeeld uit fabrieksschoorstenen of verbrandingsovens af te vangen, kunnen verschillende technieken worden gebruikt om zuivere CO2 te verkrijgen die via pijpleidingen tussen fabrieken, havens en opslaglocaties, of per schip of vrachtwagen kan worden vervoerd.
Dit kan vervolgens worden hergebruikt als grondstof voor de productie van synthetische brandstoffen of kunststoffen, als groeigas voor planten of als CO2 dat kan worden vastgelegd in beton (carbonatatie). Dit wordt Carbon Capture and Utilization (CCU) genoemd.
Als hergebruik niet mogelijk is, wordt CO2 permanent opgeslagen in lege gas- of olievelden of in diepzeezoutformaties. Dit wordt Carbon Capture and Storage (CCS) genoemd. België werkt hieraan samen met bijvoorbeeld Nederland en Noorwegen.

Gunstig investeringsklimaat
De overeenkomsten die nu zijn gesloten, komen erop neer dat beide regeringen aangeven dat zij de industrie steunen in haar keuze om te decarboniseren door zich te richten op technologieën zoals CCS/CCU.
Dit brengt tegelijkertijd risicovolle, kritieke langetermijninvesteringen met zich mee. Zij zullen al het redelijkerwijs mogelijke doen om ervoor te zorgen dat de projecten van deze bedrijven tot een definitief investeringsbesluit komen.
De bedrijven bevestigen op hun beurt dat CCUS hierin een sleutelrol zal spelen, maar dat ze nog steeds met verschillende obstakels worden geconfronteerd. Verschillende betrokken industriële spelers staan bijvoorbeeld op het punt om te investeren in CCS-projecten in België.
Toch vormen dergelijke kostbare investeringen een grote uitdaging als ze ook hun internationale concurrentiepositie willen behouden. Maar gezien de sterke onderlinge afhankelijkheid van industriële clusters kan één investeringsbeslissing een andere in gang zetten.
Of, om Voka te citeren, de gezamenlijke verklaring toont de ambitie van politici en het bedrijfsleven om deze investeringen effectief veilig te stellen en zo de industrie hier te verankeren, waardoor een nieuwe waardeketen ontstaat met nieuwe banen en toegevoegde waarde voor de Belgische economie.
Kortom, de industrie vraagt politici om de risico's van investeringen in CCUS te beperken door bijvoorbeeld een vaste prijs voor CO2-reductie in een CCUS-project te garanderen en dubbele kosten te vermijden, d.w.z. het kopen van CO2-emissierechten in geval van overmatige emissies, zelfs als ze hebben geïnvesteerd in afvang.
Vreemde houding van de Vlaamse regering
Niettemin leidt het akkoord ook tot een merkwaardige tweestrijd bij de Vlaamse regering. Deze week bereikten de Europese ministers van Milieu een akkoord om de uitstoot van broeikasgassen in de EU tegen 2040 met 90% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. België onthield zich echter van stemming, voornamelijk op aandringen van Vlaanderen.
“Klimaatverandering moet worden bestreden met concrete maatregelen en acties. Dit gebeurt voornamelijk door onze industrie de middelen te geven om koolstofarm te worden, niet door steeds strengere doelstellingen op te leggen”, zegt Vlaams minister-president Matthias Diependaele.
“De klimaatteksten van de Europese Raad boden ons onvoldoende garanties om de concurrentiepositie van onze industrie te behouden en, bij voorkeur, te versterken. Vlaanderen blijft de industrie ondersteunen met tal van gerichte acties in het kader van het Industrieplan, zonder de duurzaamheidsfactor uit het oog te verliezen, maar met de garantie dat bedrijven hier kunnen blijven produceren en innoveren.”
CCUS is niet zonder kritiek
Hoewel CCUS technisch veelbelovend is, krijgt het ook veel kritiek. Milieuorganisaties stellen bijvoorbeeld dat het de levensduur van fossiele brandstoffen verlengt, terwijl dergelijke investeringen beter besteed zouden kunnen worden aan hernieuwbare energie of energiebesparing.
Met andere woorden, critici verwijzen soms naar CCUS als een “greenwashing-instrument”, omdat het bedrijven helpt hun imago te verbeteren zonder hun kernactiviteiten fundamenteel te veranderen.
Bovendien is er veel energie nodig om CO2 af te vangen. Fabrieken moeten bijvoorbeeld vaak 20 tot 30% meer energie gebruiken om dezelfde output te leveren. Installatie, transport en opslag zijn ook duur, deels omdat postprojecten zich nog in de proeffase bevinden.
En hoewel ondergronds opslag wordt over het algemeen als veilig beschouwd, moet het duizenden jaren meegaan, wat moeilijk te garanderen is.


