De Renault-groep zal zich niet omvormen tot een defensiebedrijf, zo benadrukte CEO François Provost vorige week in Brussel. Maar amper enkele dagen later kondigde de Franse autofabrikant een nieuwe overeenkomst met Thales aan, waardoor die rode lijn minder duidelijk wordt.
In een interview met De Tijd’Toen Bas Kurstjens en andere media hem tijdens het Automotive News Europe Congress vroegen of defensiecontracten een nieuwe toekomst zouden kunnen betekenen voor een van de grootste autofabrikanten van Europa, was Provost categorisch. “Renault zal geen defensiebedrijf worden”, zei hij.
Chorus-droneproject
Die mededeling was op zich al opvallend, omdat Renault via het Chorus-droneproject met Turgis Gaillard al zijn eerste stappen in deze sector had gezet, waarbij de assemblage op de vestiging in Le Mans zou plaatsvinden.
Nu gaat de groep nog een stap verder. Op de defensiebeurs Eurosatory in de buurt van Parijs hebben Renault en Thales een strategisch partnerschap aangekondigd om de productie van de TOUTATIS-loiteringmunitie op te schalen, een drone-wapen met een kort bereik dat is ontworpen voor conflicten met hoge intensiteit.

TOUTATIS kan vanaf verschillende platforms worden gelanceerd, in de lucht blijven en een doelwit raken na goedkeuring door de operator. Renault en Thales zeggen dat het bestand is tegen elektromagnetische storingen, een configureerbare kernkop kan vervoeren en als onderdeel van een dronezwerm kan opereren.
De productie zou in 2027 van start kunnen gaan, met een beoogde capaciteit van 1.000 eenheden per maand vanaf het eerste jaar. Dat zou een enorme sprong voorwaarts betekenen ten opzichte van de huidige jaarlijkse productie van Thales van ongeveer 100 eenheden.
Een industrieel product dat in massa kan worden geproduceerd.
De rol van Renault bestaat er niet in het wapen te ontwerpen, maar er wel bij te helpen om er een industrieel product van te maken dat in massa kan worden geproduceerd. De groep zal haar expertise op het gebied van automobieltechniek, productiemethoden, spuitgieten van kunststof en kostenbesparing inbrengen.
Reuters meldde dat de drones in een van de fabrieken van Renault zouden worden geproduceerd en dat de vraag naar verwachting vooral uit exportmarkten zal komen, terwijl er nog geen concrete plannen zijn voor grote orders van het Franse leger.
Die nuance is belangrijk. De provost bedoelt niet dat Renault zich niet met defensie zal bezighouden, maar dat defensie niet bepalend zal zijn voor Renault. “We kunnen een bijdrage leveren aan de inspanningen op defensiegebied,” zei hij De Tijd.
“Het is een kans, maar onze strategie zal er nooit van afhangen.” Hij zei ook dat Renault geen overheidsgeld voor defensie zou gebruiken om simpelweg “ongebruikte fabrieken te vullen”. Alleen in een echte oorlogseconomie, zo suggereerde hij, zou defensie een belangrijke bedrijfstak kunnen worden.
Toch maakt de Thales-deal het onderscheid minder duidelijk. Renault houdt zich niet langer alleen bezig met de assemblage van drones in het kader van het Chorus-project. Het bedrijf bereidt zich nu voor om mee te werken aan de massaproductie van een wapensysteem.
4 TROOP tactisch voertuig
De aankondiging van TOUTATIS volgde op een andere onthulling van Renault-Thales op Eurosatory: het tactische voertuig 4 TROOP, een mobiel commandoplatform dat is gebaseerd op een concept voor civiele voertuigen en is uitgerust met communicatiesystemen, sensoren, tactische connectiviteit en AI-gestuurde beslissingsondersteuning van Thales.

De 4 TROOP kan drones en onbemande grondvoertuigen aansturen en missies op het gebied van verkenning, begeleiding, logistiek, bewaking en troepencoördinatie ondersteunen. Renault stelt dat het voertuig snel en tegen beheersbare kosten kan worden geproduceerd door gebruik te maken van bestaande civiele platforms en de productiecapaciteit van de automobielindustrie. Reuters meldde dat Renault vanaf begin 2027 op een productieopdracht zou kunnen reageren.
Samen laten Chorus, TOUTATIS en 4 TROOP zien hoe Renault zich positioneert: niet als een klassieke defensieleverancier, maar als een industriële versneller voor defensiesystemen. Dat onderscheidt Renault van Volkswagen, Mercedes-Benz en Stellantis, maar plaatst het bedrijf toch in dezelfde bredere trend.
Volkswagen staat onder veel grotere druk om een nieuwe bestemming te vinden voor zijn fabriek in Osnabrück, waar de productie van de T-Roc medio 2027 zal worden stopgezet, waardoor 2.300 banen op losse schroeven komen te staan.
VW heeft mogelijkheden op defensiegebied voor de locatie onderzocht, terwijl CEO Oliver Blume defensie heeft aangemerkt als een mogelijke reddingsboei voor onderbenutte productiecapaciteit in de automobielsector.
Mercedes-Benz richt zich steeds openlijker op voertuigen die verband houden met defensie. Het bedrijf heeft overeenstemming bereikt over een samenwerking met het in München gevestigde Tytan Technologies voor voertuiggebaseerde systemen ter bestrijding van drones, waarbij de G-Klasse en de Sprinter als platform worden gebruikt. In tegenstelling tot Renault heeft Mercedes al een lange traditie op het gebied van speciale voertuigen voor beveiliging, reddingsoperaties en militair gebruik.
Geen overcapaciteit
Renault heeft een ander standpunt. “We hebben geen overcapaciteit in onze fabrieken”, zei Provost. Zijn grootste zorg is niet hoe hij de fabrieken vol krijgt, maar hoe hij de Europese waardeketen in de automobielsector kan beschermen. De assemblage van auto's vertegenwoordigt volgens hem slechts een klein deel van de waarde van een voertuig. De echte industriële kracht ligt bij toeleveranciers, engineering, accu's, software en onderdelen.
Dat is ook de reden waarom Provost op zijn hoede is voor Chinese merken die auto’s in Europa alleen maar in elkaar zetten, terwijl ze de meeste belangrijke onderdelen uit hun eigen toeleveringsketens importeren. In dat scenario zouden Europese fabrieken weliswaar in bedrijf blijven, maar zouden Europese toeleveranciers toch aan schaalgrootte en relevantie kunnen inboeten.
Zijn visie staat haaks op de meer pragmatische aanpak van Stellantis. Stellantis en Leapmotor zijn van plan om in Spanje elektrische voertuigen te gaan bouwen, waaronder de Leapmotor B10 en een nieuwe elektrische SUV van het merk Opel.
Onderdelen inkopen in Europa
Voor Stellantis helpt het partnerschap om onderbenutte capaciteit op te vullen en de toegang tot betaalbare EV-technologie te versnellen. Voor Provost werken dergelijke overeenkomsten alleen in Europa als ze ook zorgen voor lokale inkoop van onderdelen en lokale engineering.
“Ik denk dat Europa er goed aan doet om op basis van deze strategie een overeenkomst met China te sluiten,” zei Provost in Brussel, waarbij hij aanvoerde dat Chinese autofabrikanten moeten worden aangemoedigd om onderdelen in Europa in te kopen, en niet alleen maar auto’s hier te assembleren.
Hij vergeleek het met wat China drie decennia geleden van westerse autofabrikanten eiste, toen markttoegang gepaard ging met verwachtingen op het gebied van lokale productie en het delen van technologie.
Tegelijkertijd profiteert Renault van een plotselinge stijging van de vraag naar elektrische auto’s. Provost zei dat het aantal bestellingen voor elektrische auto’s in landen als Frankrijk en Duitsland sterk is gestegen sinds de oorlog in Iran de brandstofprijzen heeft opgedreven.
“We overschrijden momenteel de capaciteit van onze leveranciers vanwege de oorlog in Iran”, vertelde hij aan Reuters, waarbij hij eraan toevoegde dat Renault zijn verkoopprognoses voor elektrische auto’s al heeft bijgesteld. Particuliere kopers, zo zei hij, zijn nu de drijvende kracht achter de markt, met name huishoudens die een tweede auto vervangen.
De concurrentiesituatie verandert snel. Volkswagen, Stellantis en Renault hebben Brussel gezamenlijk opgeroepen om een “Made in Europe”-kader in te voeren, waarbij 70% van de in de EU verkochte auto's 70% lokale toegevoegde waarde zou bevatten. Hun gezamenlijke boodschap is dat Europa betaalbare elektrische auto's, ondersteuning voor batterijen en flexibiliteit in de regelgeving nodig heeft. Hun strategieën lopen echter uiteen.
Renault wil de waardeketen lokaal organiseren zonder zijn fabrieken open te stellen voor Chinese merken. Stellantis is bereid om samen met Leapmotor te produceren. Volkswagen overweegt defensie als een mogelijke oplossing voor onderbenutting van fabriekscapaciteit. Mercedes maakt van speciale voertuigen een kans om zich te verdedigen.
Renault benadrukt dat auto’s zijn kernactiviteit blijven. Maar na de overeenkomsten met Thales is de formulering belangrijker dan ooit. Renault zal misschien geen defensiebedrijf worden. Het ontwikkelt zich wel tot een industriële partner die de defensiesector niet kan negeren.


