François Provost, CEO van Renault, heeft een van de meest gevoelige kwesties binnen de Europese auto-industrie ter discussie gesteld: kunnen kleine elektrische auto’s winstgevend zijn, of zullen de Europese volumeproducenten door de Chinese concurrentie uit hun thuismarkt worden verdrongen?
In een interview met Les Echos, het Franse zakendagblad dat eigendom is van LVMH en veel gelezen wordt in politieke en zakelijke kringen, zei Provost dat Renault nu positieve marges boekt op zijn nieuwe generatie compacte elektrische auto’s, waaronder de Renault 5, de Renault 4 en de binnenkort te verschijnen Twingo.
Moeilijk winstgevend te maken
Dat is een gewaagde bewering. Al decennia lang is de redenering binnen de auto-industrie dat kleine auto’s weliswaar noodzakelijk zijn voor het verkoopvolume en de naamsbekendheid van het merk, maar dat het moeilijk is om ze winstgevend te maken.
Grotere auto’s, SUV’s en premiumvarianten zorgden doorgaans voor de winstmarges. Renault stelt nu dat deze regel kan worden doorbroken, mits de ontwikkelingscycli korter zijn, de platforms eenvoudiger zijn en de productie strak wordt aangestuurd.
Deze verklaring geeft Provost ook een sterker argument in Brussel. Renault vraagt Europa niet om af te zien van elektrificatie.
Integendeel, het nieuwste strategische plan van de groep, „futuREady“, is opgebouwd rond 36 nieuwe modellen tegen 2030, waaronder 22 voor Europa en 16 volledig elektrische modellen. Renault streeft tevens naar een operationele marge van de groep van 5% tot 7% en een gemiddelde vrije kasstroom uit de automobielsector van ten minste 1,5 miljard euro per jaar.
Industrieel gezien realistischer
Het verschil is dat Provost wil dat Europa de transitie vanuit industrieel oogpunt realistischer maakt. Hij heeft eerder al gewaarschuwd dat geen enkele Europese fabrikant de CO₂-doelstellingen voor auto’s en bestelwagens voor 2030 kan halen, zoals die nu zijn geformuleerd.
En hij heeft opgeroepen tot meer flexibiliteit. In het interview met Les Echos is zijn boodschap breder: de Europese auto-industrie vecht om te overleven, en regelgeving zou haar stabiliteit moeten bieden in plaats van voortdurend nieuwe beperkingen op te leggen.
Dat brengt Renault in een politiek delicate positie, vooral in Frankrijk. Parijs behoort tot de zeven EU-lidstaten die onlangs Brussel hebben gewaarschuwd tegen een verdere afzwakking van het CO₂-kader voor nieuwe auto’s voor 2035.
Frankrijk houdt vast aan de CO2-regels
Samen met Spanje en vijf andere landen pleitte Frankrijk ervoor dat Europa een duidelijke koers naar elektrificatie moet blijven varen en moet voorkomen dat de doelstelling – dat nieuw geregistreerde auto’s vanaf 2035 nul gram CO₂ per kilometer moeten uitstoten – wordt afgezwakt.
Voor de Franse regering draait het om voorspelbaarheid van de regelgeving, klimaatbeleid, energiezekerheid en industriële planning.
Als de regels te vaak worden aangepast, wordt het moeilijker om investeringen in accu’s, laadinfrastructuur en de productie van elektrische voertuigen te rechtvaardigen. Het Franse standpunt sluit daarom meer aan bij het kamp van het groene industriebeleid dan bij het door Duitsland aangevoerde streven naar meer ruimte voor verbrandingstechnologie, synthetische brandstoffen of ruimere uitzonderingen.
Meer flexibiliteit?
Het standpunt van Provost is genuanceerder. Renault wil niet het hele debat over de overstap naar elektrisch rijden opnieuw openen, maar streeft wel naar minder plotselinge veranderingen in de regelgeving, meer ruimte voor overgangstechnologieën en meer tijd om het wagenpark en de fabrieken aan te passen.
Het bedrijf wil ook dat Europa hogere eisen stelt aan Chinese fabrikanten die de markt betreden. Volgens Provost zouden Chinese autofabrikanten niet alleen voertuigen in Europa moeten assembleren, maar ook meer onderdelen lokaal moeten inkopen, aangezien het grootste deel van de waarde van een voertuig in de toeleveringsketen wordt gecreëerd en niet op de eindassemblagelijn.
De spanning is duidelijk voelbaar en politiek gezien lastig. Frankrijk wil dat Europa vasthoudt aan de koers voor 2035, terwijl Renault, de grootste autofabrikant van het land en nog steeds voor 15,01% in handen van de Franse staat, stelt dat die koers flexibeler moet worden als Europa zijn industriële basis wil behouden.
Politieke boodschap
De bewering van Renault over de winstmarge op kleine elektrische auto’s is daarom meer dan alleen een financieel detail. Het is een politieke boodschap: Europa kan op winstgevende wijze betaalbare elektrische auto’s bouwen, maar alleen als regelgeving, lokale waardecreatie en het concurrentievermogen van de industrie in dezelfde richting gaan.
De Mégane E-Tech en de Scénic E-Tech Electric hebben Renault een geloofwaardige, in Europa gebouwde basis voor elektrische auto’s in het segment van de gezinsauto’s opgeleverd. Maar de Renault 5 is belangrijk omdat hij de aandacht verlegt naar een kleiner, prijsgevoeliger marktsegment.
Als Renault daar betere marges kan behalen dan op zijn grotere elektrische auto’s, zoals Provost beweert, zou dat betekenen dat compacte elektrische auto’s niet langer verliesgevende ‘compliance-voertuigen’ hoeven te zijn.
De Renault 4 en de Twingo zullen uitwijzen of die formule nog verder naar het lagere segment kan worden doorgevoerd, waar Chinese concurrenten naar verwachting de grootste druk zullen uitoefenen.
De Mégane en de Scénic vormden de basis voor Renaults nieuwe start op het gebied van elektrische auto’s; de R5, R4 en Twingo zullen uitwijzen of Europa het betaalbare segment van de markt voor elektrische auto’s kan verdedigen.
De kloof overbruggen
Als Renault gelijk heeft, hoeven kleine elektrische auto’s niet langer verliesgevende ‘compliance cars’ te zijn. Ze kunnen de ruggengraat vormen van een Europees industrieel antwoord op China.
Als dit niet klopt, zal het debat over 2035 alleen maar meer verdeeldheid zaaien, waarbij regeringen de klimaatdoelstellingen verdedigen terwijl autofabrikanten waarschuwen dat het economisch gezien niet meer haalbaar is.
Provost probeert die kloof te overbruggen. Zijn boodschap aan Brussel en Parijs is dat Renault klaar is voor elektrificatie, maar dat Europa ervoor moet zorgen dat zijn regelgeving leidt tot Europese auto’s, Europese banen en Europese waarde, en niet alleen maar een markt voor goedkopere importproducten.


